
![]() |
Auteur: mr. Mareille Tol |
Stel dat twee partijen besluiten om samen te werken, krachten te bundelen en iets moois op te bouwen. Partijen weten dat daarvoor een stevige fundering nodig is; goede afspraken en een flinke portie vertrouwen. Partijen starten met bouwen en komen ver. Het kaartenhuis staat, maar dan besluit één van de partijen er een stukje van de fundering uit te trekken. Één kaartje maar, moet kunnen. Helaas zal het kaartenhuis vroeg of laat in elkaar storten. Zo werkt het ook met een samenwerking en specifiek met een joint venture. Een afspraak niet nakomen of het vertrouwen van de joint venture-partner eenmalig schaden kan het einde van de joint venture betekenen. Wanneer de niet nagekomen afspraak ook opgenomen is in de statuten van de joint venture, kun je het wel schudden en is terugkrabbelen niet mogelijk. Dit blijkt onder andere uit een recente uitspraak van het Hof Den Haag.
De uitspraak wordt kort in deze publicatie behandeld. Ook wordt stilgestaan bij de joint venture als samenwerkingsvorm en verplichte aanbieding van aandelen.
Inhoud:
Een joint venture is een samenwerking tussen verschillende zelfstandige ondernemingen die samen een bepaalde economische activiteit of een bepaald (onderzoeks-)project willen ontplooien om vervolgens de opbrengsten daaruit te delen. Voor het overige blijven de ondernemingen wel geheel zelfstandig.
Voor de joint venture wordt veelal een juridisch zelfstandige entiteit opgericht: de joint venture. De rechtsvorm van een joint venture zal per geval verschillen. In deze publicatie wordt met “joint venture” voor het gemak altijd een besloten vennootschap bedoeld.
Joint ventures zijn internationaal gezien van groot belang. Joint ventures komen onder andere aan bod bij de volgende transacties:
Een joint venture is geen gemakkelijke vorm van samenwerking. Mogelijke problemen zijn onder andere: verschillen in cultuur, verschillende commerciële doelstellingen, meningsverschillen die moeten worden opgelost, tragere besluitvormingsprocessen en de noodzaak om extra managementtijd te besteden aan voortdurend overleg en aan de ontwikkeling van de joint venture. Veel joint ventures houden daarom na een betrekkelijk korte periode op te bestaan. In het joint venture contract zijn daarom bepalingen over “exit”-mogelijkheden onmisbaar. Ook zullen in een joint venture-contract bepalingen zijn opgenomen die voorkomen dat één van de joint venture-partners ineens geconfronteerd wordt met een andere samenwerkingspartner, omdat de joint venture-aandelen zijn doorverkocht.
Hierna wordt de verplichte aanbieding van de joint venture-aandelen behandeld, gevolgd door een recente uitspraak van het Hof Den Haag die als voorbeeld kan dienen voor de behandelde materie.
Een blokkeringsregeling blokkeert de overdracht van aandelen in een BV wanneer een aandeelhouder zijn of haar aandelen wil overdragen aan een persoon die buiten de “vrije kring” of de “besloten groep” valt. Aandelen in de BV worden slechts vrij overgedragen aan personen uit de overeengekomen besloten groep of vrije kring. Vandaar de naam “besloten vennootschap”. Tot de vrije kring behoren veelal: de vennootschap, medeaandeelhouders, familieleden of de echtgenoot van de aandeelhouder. De joint venture-partner heeft over het algemeen niet veel te vrezen van een overdracht van aandelen aan personen uit de besloten of vrije kring. Dat wordt anders wanneer de aandelen worden overgedragen aan personen buiten die besloten kring.
De statuten van een BV bevatten daarom altijd een blokkeringsregeling. De blokkering van een overdracht van aandelen kan inhouden dat de overdragende aandeelhouder voorafgaand aan de overdracht goedkeuring nodig heeft (goedkeuringsblokkade) of eerst zijn of haar aandelen aan de andere joint venture-partner moet aanbieden (aanbiedingsblokkade). De joint venture-partner doet in beginsel alleen zaken met de gekozen joint venture-partner. Een overdracht van de aandelen in de joint venture door een joint venture-partner aan een derde die buiten de “vrije kring” valt, zou bezwaarlijk kunnen zijn voor de achterblijvende joint venture-partner. De achterblijvende joint venture-partner zal in dat geval moeten gaan samenwerken met een vreemde partij, terwijl tussen hem en de nieuweling de chemie misschien wel ver te zoeken is. Ook wanneer de aandelen in een aandeelhouder-rechtspersoon worden vervreemd aan een derde buiten de vrije kring, wordt de achterblijvende joint venture-partner geconfronteerd met een nieuwe samenwerkingspartner. Een regeling in de statuten die bepaald dat de aandelen van laatstgenoemde aandeelhouder-rechtspersoon zullen gelden als aangeboden aan de achterblijvende joint venture-partner, is een oplossing bij een impasse. De volgende uitspraak geeft dit kort en bondig weer.
Uit een recente uitspraak van het Hof Den Haag op 28 juli 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:2465) blijkt dat op het moment dat de zeggenschap bij één van de joint venture-partners (aandeelhouder-rechtspersoon) enigszins veranderde door vervreemding van aandelen in de groep van die aandeelhouder-rechtspersoon, de statutaire verplichting tot het aanbieden van aandelen van toepassing werd.
Wat was het geval? Tussen twee joint venture-partners ontstond onenigheid over de vraag of de ene joint venture-partner zijn aandelen diende aan te bieden (hierna: de “Gedaagde”) aan de andere partner en als bestuurder van de betreffende joint venture (hierna: de “Joint Venture”) aan de kant kon worden gezet door de achterblijvende joint venture-partner (de “Eiser”) naar aanleiding van een wijziging in de zeggenschap bij de Gedaagde.
De wijziging hield in dat de eigenaar van de aandelen in de moedermaatschappij van Gedaagde die aandelen verkocht aan een derde partij (vennootschap) buiten de besloten groep van de Joint Venture en daarna de indirecte zeggenschap (60%) weer “terugkocht” door middel van een aandelenemissie (aandelen in voornoemde derde partij).
Eiser stelde zich na de verschillende aandelenoverdrachten op het standpunt dat aan de zijde van Gedaagde een wijziging in zeggenschap van de onderneming van Gedaagde was opgetreden en dat Gedaagde daarom haar aandelen conform de statutaire aanbiedingsregeling (artikel 10 lid 12 sub g) moest aanbieden aan Eiser, op straffe van ontneming van de vergader- en stemrechten die haar toekomen als aandeelhouder van de Joint Venture. Eiser wil daarnaast Gedaagde als bestuurder van de Joint Venture ontslaan zodat Eiser bepaalde besluiten binnen de Joint Venture kan nemen waartegen Gedaagde zich steeds verzet.
Artikel 10 lid 12 sub g van de statuten van de Joint Venture luidt:
..anders dan ten gevolge van huwelijksgoederenrecht respectievelijk geregistreerd partnerschap, een (rechts)persoon (i) door overdracht of andere overgang van aandelen dan wel door het nemen van aandelen, of (ii) door overgang van stemrecht op aandelen of op andere wijze, een of meer aandelen in het kapitaal van een Aandeelhouder-rechtspersoon verkrijgt dan wel enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een Aandeelhouder-rechtspersoon verkrijgt, (..).
(..) deelt het Bestuur Schriftelijk aan de betrokken Aandeelhouder, (..) dat zijn casu quo hun Aandelen gelden als aangeboden in de zin van dit artikel.
Het Bestuur is dan verplicht onverwijld de Aandeelhouders Schriftelijk van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen. (..)
(..). Het niet voldoen aan de verplichting tot aanbieding van Aandelen op grond van het bepaalde in dit lid heeft tot gevolg, dat na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn het aan de Aandelen verbonden vergader- en stemrecht niet kan worden uitgeoefend en dat het recht op dividend wordt opgeschort zolang niet aan die verplichting wordt voldaan.(..)
In een eerdere procedure legde de kortgedingrechter Eiser het verbod op om zijn joint venture-partner als bestuurder van de Joint Venture te ontslaan en werd de Gedaagde niet verplicht geacht de aandelen in de Joint Venture aan te bieden; die verplichting bleek niet duidelijk uit de statuten volgens de kortgedingrechter.
In de latere procedure voor het Hof Den Haag oordeelde de rechter anders; Gedaagde diende de aandelen in de Joint Venture wel degelijk aan te bieden aan zijn joint venture-partner (Eiser).
Volgens het Hof impliceert de door Eiser en Gedaagde gekozen samenwerkingsvorm (de joint venture) beslotenheid van de samenwerking. De zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van de moedermaatschappij van Gedaagde is gewijzigd en zo is indirect ook de zeggenschap over de onderneming van Gedaagde gewijzigd, wat in de praktijk een change of control-bepaling zou activeren. Ook in deze zaak werd de aanbiedingsverplichting naar aanleiding van de wijziging in zeggenschap geactiveerd, nu er – zoals in de statuten van de Joint Venture staat vermeld – is voldaan aan het verkrijgen door een derde van “..enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een Aandeelhouder-rechtspersoon..”.
Dit zijn vergaande gevolgen voor een ogenschijnlijk “minimale” wijziging in de zeggenschap. Gedaagde had bij het wijzigen van haar groepsstructuur rekening moeten houden met haar joint venture-partner.
De uitspraak die hiervoor is behandeld, laat zien dat het van belang is om voor het aangaan van een joint venture goed na te denken over samenwerkingsafspraken. Als het gaat om de regeling omtrent aanbiedingsplicht van joint venture-aandelen moeten partijen zich ervan vergewissen dat wanneer zij deel uitmaken van een grote groep of concern, een kleine wijziging in de groep grote gevolgen kan hebben voor de joint venture. Ook een fiscaal gedreven herstructurering van de groep waartoe een joint venture-partner behoort, kan leiden tot het einde van een joint venture samenwerking. Joint venture-partners doen er goed aan om in de joint venture-overeenkomst voldoende aandacht te besteden aan mogelijke zeggenschapswijzigingen en de gevolgen daarvan.
U kunt voor meer informatie over de joint venture, aandeelhoudersovereenkomsten of samenwerkingsovereenkomsten contact opnemen met 0900-jurist op telefoonnummer 0900-8090. U krijgt direct een senior bedrijfsjurist aan de lijn die jarenlang werkte als advocaat en bedrijfsjurist.
Wat u moet weten over de samenwerkingsovereenkomst →