Publicatie

Een schriftelijke overeenkomst is bij een geldlening tussen particulieren van belang. Maar ook in zakelijke verhoudingen kan een schriftelijke overeenkomst geschillen voorkomen. Toelichting aan de hand van 2 rechterlijke uitspraken.

Het belang van een contract bij een geldlening

Gepubliceerd op: 19 augustus 2022
Auteur: mr. Mareille Tol

 

Een schriftelijke overeenkomst dient als bewijs van uw rechtsverhouding met een ander wanneer de ander de overeenkomst niet nakomt. Een schriftelijke overeenkomst is bij een geldlening tussen twee particulieren van belang. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Hoe informeler de verhouding is met de partij aan wie u geld uitleent, hoe noodzakelijker het in het algemeen zal zijn om een geldleningsovereenkomst op schrift te stellen. Maar ook in zakelijke verhoudingen kan een schriftelijke overeenkomst geschillen voorkomen. U zult echter niet in alle gevallen een schriftelijke geldleningsovereenkomst nodig hebben om uw gelijk te bewijzen bij een geschil.

In deze publicatie worden voornoemde stellingen aan de hand van twee recente rechterlijke uitspraken toegelicht.

Inhoud:

 

Overeenkomst: schriftelijk of mondeling?

Een overeenkomst komt tot stand door aanbod door de ene partij en aanvaarding daarvan door de andere partij. In beginsel zijn contractspartijen ook vrij om af te spreken wat ze willen. Wel moet de inhoud en de strekking van een overeenkomst niet in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling, de goede zeden of de openbare orde.

Naast de inhoud mogen partijen in beginsel (wettelijke uitzonderingen daargelaten) de vorm van de overeenkomst bepalen; het mag in principe mondeling of schriftelijk vormgegeven worden. Een mondelinge overeenkomst is in beginsel dus ook een rechtsgeldige overeenkomst. Het zal alleen lastiger zijn om aan te tonen welke afspraken zijn gemaakt als dit niet zwart op wit staat. Zo lang partijen samen door één deur kunnen, is er niets aan de hand. Zo gauw de relatie tussen partijen echter verslechtert, kan onenigheid ontstaan en kunnen partijen van mening gaan verschillen als het gaat om wat zij een aantal jaren terug hebben afgesproken.

Als een partij een gerechtelijke procedure start naar aanleiding van de onenigheid omtrent gemaakte mondelinge afspraken, moet die partij bewijzen dat een mondelinge overeenkomst is gesloten en wat de inhoud van de overeenkomst is. Dit kan door aan te tonen dat partijen al praktische uitvoering aan de mondelinge overeenkomst hebben gegeven; uit gedragingen van partijen kan een mondelinge overeenkomst blijken. Getuigenbewijs kan soms ook uitkomst bieden om mondelinge afspraken te bewijzen. Als er geen bewijs van de mondelinge overeenkomst is, heeft een gerechtelijke procedure weinig zin. Het gaat in een gerechtelijke procedure namelijk niet om welke partij gelijk heeft, maar om welke partij haar gelijk kan bewijzen.

In dit stuk zoomen we specifiek in op de mondelinge geldleningsovereenkomst. Onlangs werden hierover twee uitspraken gedaan door de rechtbank.

 

Uitspraak van 15 juni 2022 – geldlening of schenking?

In deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2022:5920) oordeelde de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland dat de partij die stelde dat sprake was van een geldleningsovereenkomst (hierna: “eiseres”), dit niet heeft weten te bewijzen. Eiseres werd door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om alsnog met bewijs te komen.

Wat was het geval? Eiseres stelde dat zij op 7 mei 2021 aan de gedaagde partij (een vriendin van eiseres) EUR 1.312,- heeft geleend en dat gedaagde deze lening na aanmaningen van eiseres niet heeft terugbetaald. Gedaagde heeft het bedrag niet terugbetaald omdat zij van mening is dat het geldbedrag aan haar is geschonken ter aflossing van een schuld aan de Belastingdienst. Pas tijdens een ruzie die plaatsvond op 19 augustus 2021, eiste eiseres het geschonken bedrag ineens terug volgens gedaagde.

Het was aan eiseres om te bewijzen dat partijen een mondelinge leningsovereenkomst hebben gesloten, zoals volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eiseres legde ter bewijs een rekeningafschrift over van 6 juni 2021 waaruit blijkt dat eiseres EUR 1.312,- overmaakte onder vermelding van “Belastingdienst”. Eiseres legde ook een WhatsApp-bericht van 19 augustus 2021 (dag van de ruzie) van haar aan gedaagde over, dat luidde: “Zo en nu ben ik klaar met jou! Geld terug sleutel terug.” Bewijs van eerdere aanmaningen kon eiseres niet overleggen.

Uit het rekeningafschrift en het WhatsApp-bericht van 19 augustus 2021 blijkt volgens de kantonrechter niet dat partijen een geldleningsovereenkomst hebben gesloten of dat eiseres gedaagde het geld heeft geschonken. Ook uit andere door eiseres overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dit niet.

Zonder bewijs van haar stellingen, kon eiseres de gewenste rechterlijke uitspraak niet krijgen. Ze kreeg van de rechter de opdracht om te bewijzen dat het door haar overgemaakte bedrag een geldlening betreft.

 

Uitspraak van 29 juni 2022 – geldlening of agiostorting?

In deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2022:6033) eiste de ene aandeelhouder van een vennootschap het geld terug dat hij meende te hebben uitgeleend aan de vennootschap, terwijl de andere aandeelhouder van de vennootschap terugbetaling probeerde te voorkomen. Laatstgenoemde aandeelhouder was namelijk van mening dat geen sprake was van een geldlening (dat behoort tot het vreemd vermogen van de vennootschap) maar van een agiostorting; extra kapitaal boven op de nominale waarde van aandelen dat behoort tot het eigen vermogen van de vennootschap.

Waar is het in deze zaak allemaal begonnen? Begin 2015 wilden broer en zus en de echtgenoot van de zus een pand kopen om er een B&B in te exploiteren (hierna: het “pand”). Broer en zus kopen op 26 mei 2015 het pand in privé. Voor het gezamenlijk uitbaten van het pand wordt door broer, zus en haar echtgenoot op 27 augustus 2015 een vennootschap opgericht (hierna: de “Vennootschap”). Broer houdt via een eigen Engelse Limited (Ltd.) 67% van de aandelen in de Vennootschap en zus en haar echtgenoot via hun eigen BV 33%.

Een belangrijk feit in deze casus is dat de broer een financieringsplan voor het pand heeft opgesteld waarin staat dat tweemaal een “Directors Loan” wordt verstrekt; een “Directors Loan” afkomstig van de broer (EUR 649.930,-) en een “Directors Loan” afkomstig van de zus en haar echtgenoot (EUR 283.470,-).

Het pand is op 1 september 2015 aan de Vennootschap geleverd. Voor deze levering moest de Vennootschap EUR 926.851,61 betalen. Dit bedrag werd door de Ltd. van de broer op de derdenrekening van de notaris gestort. De zus en haar echtgenoot betaalden een deel daarvan (EUR 230.000,-) terug aan de broer.

Vanaf augustus 2017 begon de Vennootschap met het exploiteren van een B&B in het pand. Een ander belangrijk feit is dat de Vennootschap over het hele jaar 2018 EUR 3.000,- rente per maand aan de broer overmaakte.

De voornoemde “Directors Loan” van de broer voor de aankoop van de B&B wordt in de jaarrekeningen voor 2015 en 2016 van de Vennootschap netjes als schuld (vreemd vermogen van de vennootschap) opgenomen. Tot verbazing van de broer wordt deze schuld in de jaarrekeningen over de jaren 2017 en 2018 echter in agio (eigen vermogen van de vennootschap) omgezet. Als grootaandeelhouder is de broer het hier niet mee eens. Op 22 juni 2021 eist de broer terugbetaling van de geldlening op.

In de aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure staan de vragen centraal of tussen de Ltd. van de broer (als aandeelhouder van de Vennootschap) en de Vennootschap een overeenkomst van geldlening is gesloten en of de broer de geldlening terugbetaald kan krijgen. De rechtbank oordeelt: “Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; aanbod en aanvaarding kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen.”

In deze procedure heeft de rechtbank geen schriftelijke overeenkomst nodig gehad om te oordelen dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Dit onderbouwt de rechtbank onder andere met het argument dat de broer een financieringsplan heeft opgesteld, waaruit blijkt dat het de bedoeling was van de broer om voor de verkrijging van het pand geld aan de Vennootschap te lenen. Toen hij het financieringsplan aan zijn zus en haar echtgenoot e-mailde op 3 november 2017, schreef de broer ook over de aan de Vennootschap verstrekte geldlening en de bijbehorende rente. De zus en haar echtgenoot hebben dit niet ontkent. Als de zus en haar echtgenoot altijd van mening waren geweest dat een agiostorting en niet een geldlening de afspraak zou zijn, hadden de zus en de echtgenoot dat op enige wijze tijdig aan de broer kenbaar moeten maken. Pas op 12 juni 2018 liet de zus echter aan de boekhouder (en niet de broer) weten dat geen sprake is van een geldlening, zoals in de conceptcijfers vermeld, maar van een agiostorting.

Een andere gedraging van de zus die leidde tot het oordeel dat sprake is van een geldleningsovereenkomst, is het meewerken aan het doen van rentebetalingen. In 2018 werden via internetbankieren rentebetalingen gedaan door de Vennootschap aan de Ltd. van de broer. De zus maakte deze betalingen mede mogelijk door TAN-codes aan de broer door te geven. Hieruit blijkt haar instemming met de geldlening.

De rechtbank kwam tot de slotsom dat de Vennootschap onvoldoende heeft betwist dat het bedrag ter hoogte van bijna 700k is uitgeleend door de broer en neemt aan dat een geldleningsovereenkomst is gesloten. De rechtbank veroordeelt de Vennootschap onder meer tot terugbetaling van de geldlening aan de broer en tot betaling van de proceskosten.

 

Conclusie

In deze publicatie ging het specifiek over de geldleningsovereenkomst. Onder andere aan de hand van de twee hiervoor behandelde recente uitspraken kan geconcludeerd worden dat een geldlening idealiter schriftelijk wordt overeengekomen. Om bewijsproblemen te voorkomen, is het aan te raden om essentiële afspraken op papier te zetten en deze schriftelijke vastlegging door partijen te laten ondertekenen. Op een later moment kan dan worden bewezen wat er precies is afgesproken.

Als geen schriftelijke overeenkomst voorhanden is, kan soms toch uit de gedragingen van partijen worden afgeleid wat de gemaakte afspraken zijn. Wees er daarom op bedacht dat u te allen tijde in het contact met een andere partij handelt volgens de gemaakte afspraken en zo nu en dan de afspraken aan de andere partij schriftelijk bevestigt (bijvoorbeeld per e-mail). In geval van een geschil wordt namelijk groot gewicht gehecht aan de praktische uitvoering van een overeenkomst. Als u van uw wederpartij een opdrachtbevestiging of (concept-)overeenkomst ontvangt waar u het niet mee eens bent, laat uw wederpartij dan direct per e-mail weten dat u niet akkoord gaat.

 

Heeft u vragen?

In deze publicatie werd niet ingegaan op de specifieke onderwerpen die normaliter in een leningsovereenkomst worden opgenomen. U kunt voor meer informatie over overeenkomsten of concreet over de geldleningsovereenkomst contact opnemen met 0900-jurist op telefoonnummer 0900-8090. U krijgt direct een senior bedrijfsjurist aan de lijn die jarenlang werkte als advocaat en bedrijfsjurist.

Blijf op de hoogte van juridische ins & outs

Ontvang net als vele andere ondernemers onze gratis Juridische Updates 🎯

  

Specialismen:

ONDERNEMERS

Aandeelhoudersovereenkomst
Algemene voorwaarden
Alternatieve geschillenbeslechting
Bestuurdersaansprakelijkheid en concernaansprakelijkheid
Betalingsverzoeken
Certificaten
Faillissement
Gerechtelijke procedures
Groepsvrijstelling 403-verklaring
Incasso
Joint venture
Leningsovereenkomsten
Onderhandeling
Overeenkomsten
Schikking
Sommatiebrief
Samenwerkingsovereenkomsten
Wanbetalers

PRIVACY

AVG
Gegevensbescherming
Privacy
Privacy statement
Privacy beleid
Verwerkersovereenkomst

CONTRACTEN

Nakijken
Nakoming
Opstellen